De wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen schaft, vanaf aanslagjaar 2026, de aftrek af van interesten op leningen voor onroerend goed dat niet de eigen woning is — ook voor lopende kredieten. Deze afschaffing volgt uit een wijziging van artikel 14 WIB 92 en werd op 30 december 2025 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
In de parlementaire voorbereiding verantwoordt de regering de maatregel met de noodzaak om de overheidsfinanciën te saneren, en stelt zij expliciet dat geen overgangsregeling wordt voorzien, gelet op de "uiterst moeilijke" begrotingssituatie. De minister bevestigde in commissie dat er geen overgangsmaatregel komt, en benadrukte dat de maatregel op kruissnelheid 210 miljoen euro moet opbrengen en zo'n 475.000 belastingplichtigen raakt.
Precies op dat punt lijkt de grondwettigheid van de hervorming aanvechtbaar. In zijn advies over het voorontwerp merkte de Raad van State op dat de memorie van toelichting, wat artikel 2 van het ontwerp betreft, onvoldoende specifiek gemotiveerd was om het ontbreken van een overgangsregeling te rechtvaardigen. Hij voegde eraan toe dat een belastingplichtige die in 2023 of 2024 een lening was aangegaan, er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de renteaftrek behouden zou blijven gedurende de gebruikelijke — vaak lange — looptijd van zijn krediet.
Het probleem situeert zich dus niet op het vlak van retroactiviteit in strikt technische zin. De Raad van State erkende trouwens zelf dat de maatregel, fiscaalrechtelijk beschouwd, niet retroactief werkt. De eigenlijke vraag draait om gewettigd vertrouwen en rechtszekerheid: mag men, met onmiddellijke ingang en voor reeds gesloten, nog lopende overeenkomsten, een belastingvoordeel afschaffen dat mogelijk doorslaggevend was bij de investeringsbeslissing?
De rechtspraak van het Grondwettelijk Hof biedt hier ernstige argumenten voor een vernietiging. In zijn arrest nr. 63/2013 van 8 mei 2013 herinnerde het Hof eraan dat, ook op fiscaal vlak, het ontbreken van een overgangsregeling strijdig kan zijn met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet wanneer dit een buitensporige inbreuk vormt op de gerechtvaardigde verwachtingen van een bepaalde categorie rechtsonderhorigen, zonder dat daarvoor een dwingende reden van algemeen belang bestaat. Het Hof oordeelde toen dat de onvoorspelbare afschaffing van een belastingvoordeel onevenredig was, aangezien dat voordeel een doorslaggevende rol had kunnen spelen bij het sluiten van de overeenkomst.
Meer recent nog, in zijn arrest nr. 66/2025 van 24 april 2025, vernietigde het Hof de onmiddellijke toepassing van een nieuwe regel op flexi-jobovereenkomsten die vóór de bekendmaking van de wet waren gesloten. Het Hof herhaalde daarbij dat het ontbreken van overgangsmaatregelen ongrondwettelijk wordt zodra het gewettigd vertrouwen van de betrokkenen buitensporig wordt geschaad, terwijl zij op het moment van hun contractuele verbintenis redelijkerwijze niet konden anticiperen op de wijziging.
De analogie met de afschaffing van de hypotheekrenteaftrek dringt zich op. Ook hier hebben belastingplichtigen — soms kort vóór de goedkeuring van de wet — langlopende hypothecaire kredietovereenkomsten afgesloten, en daarbij in hun financiële planning gerekend op een belastingregeling die op dat moment nog volop gold. Het budgettaire argument alleen volstaat wellicht niet om het volledig ontbreken van een overgangsregeling te rechtvaardigen, temeer daar de Raad van State zelf de motivering van de regering op dit punt ontoereikend achtte.
Daaruit volgt dat een verzoek tot vernietiging bij het Grondwettelijk Hof, in dit stadium, juridisch verdedigbaar en strategisch relevant lijkt — met name voor belastingplichtigen die kunnen aantonen dat het afgeschafte belastingvoordeel een doorslaggevende factor was bij het afsluiten van hun vastgoedfinanciering. Het beroep tot vernietiging moet in principe worden ingesteld binnen zes maanden na de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad — voor deze wet, gepubliceerd op 30 december 2025, dus uiterlijk tot en met 30 juni 2026.
In de praktijk hebben de betrokken belastingplichtigen er dan ook baat bij hun situatie snel te laten onderzoeken, zowel met het oog op een eventueel rechtstreeks beroep als op voorlopige maatregelen inzake aangifte en geschillenbeslechting.

Partner THALES -Tax



